Het gebied dat we nu kennen als Zuilen, stond in de middeleeuwen bekend als de Zwesereng. Het gebied was waarschijnlijk vernoemd naar ‘Zwesen', de geboorteplaats van de bekende Friese missionaris Liudger. In de 13e eeuw werd dit gebied eigendom van een nieuw klooster: het vrouwenklooster Mariëndaal.
In het vrouwenklooster hebben 400 jaar lang adellijke vrouwen als nonnen geleefd, tot het werd gesloopt in 1586. Sindsdien is er boven de grond weinig meer van te zien, maar tijdens opgravingen in 1956-57 en 2018-19 hebben archeologen veel resten van het klooster en het kloosterleven teruggevonden.
De Zwesereng
Ergens op de zuidoever van de Vecht lag in de vroege middeleeuwen een Fries landgoed genaamd ‘Zwesen’. Zwesen was eerst alleen bekend uit geschreven bronnen, waar het werd genoemd als de geboorteplaats van Liudger. Hij was een bekende Friese missionaris en de eerste bisschop van het bisdom Münster in Duitsland. Hoewel de naam ‘Zwesen’ rond 1245 veranderde in ‘Zuilen', is de oude naam van het landgoed nog lang te zien geweest in de naam van het gebied eromheen: ‘Zwesereng'. Samen met de archeologische vondsten van de opgravingen in Zuilen, denken archeologen nu dat het landgoed Zwesen daar misschien wel heeft gelegen.

Klooster Mariëndaal
Halverwege de 13e eeuw werd er op de plek van het oude Zwesen het nieuwe vrouwenklooster Mariëndaal gesticht. De bouw van het klooster werd mogelijk gemaakt door een schenking van geld en land door Dirk van Kovelwade, een kanunnik (hoge geestelijke) van de Oudmunsterkerk in Utrecht. Er zijn helaas geen afbeeldingen van het gebouw bewaarde gebleven, waardoor we niet goed weten hoe het er vanbinnen en vanbuiten uitzag. Door de opgravingen uit 1956-57 weten we gelukkig wel wat de indeling van het klooster ongeveer was. De archeologen hebben namelijk niet alleen veel muurresten gevonden, maar ook vensterglas, beelden en huishoudelijke voorwerpen. Dat gaf een beeld van de gebouwen, de versiering van het klooster en de functie van verschillende ruimtes.
Het klooster zelf bestond uit een kloosterkerk met een kleine toren, een pandhof (tuin) met kruisgang (overdekte gang om de tuin heen) en een aantal woon- en werkgebouwen. Verder stond op het kloosterterrein ook een boerderij en een aantal gebouwen op de oever van de Vecht; waarschijnlijk een bierbrouwerij. Ook hadden de nonnen een eigen steenbakkerij, die tot de 19e eeuw is blijven staan en al die tijd nog ‘Mariëndaal’ werd genoemd. Om het hele kloosterterrein liep een brede gracht om de grens van het gebied aan te geven.
Klooster Mariëndaal was vanuit Utrecht te bereiken via de Daalsedijk, eeuwenlang dé route van Utrecht naar Amsterdam. Daar kwam pas een einde aan in 1812, toen Napoleon de kaarsrechte Amsterdamsestraatweg liet aanleggen. De oude route is nog steeds te zien in de loop van een aantal moderne straten in Ondiep en Zuilen: eerst via de 1e en de 2e Daalsedijk, en een stukje verderop via de Edisonstraat, de Burgemeester Norbruislaan en de Daalseweg.

Er woonden 2 soorten zusters in klooster Mariëndaal: nonnen en lekenzusters. De nonnen waren vooral jongste dochters uit rijke families, die door hun familie naar het klooster werden gestuurd om de bruidsschat te bewaren voor de oudste dochter. In het klooster was plaats voor ongeveer 30 nonnen. Zij mochten officieel geen contact hebben met de buitenwereld, en moesten 7 keer per dag bidden. De meer praktische taken, zoals koken, schoonmaken en naar de markt gaan, werden gedaan door de lekenzusters. Zij waren van lagere komaf en hadden niet dezelfde religieuze taken als de nonnen. Het verschil in stand tussen de nonnen en lekenzusters was terug te zien in bijvoorbeeld een luxer dieet en betere slaapplekken voor de nonnen.
De zusters van Mariëndaal waren lid van de Cisterciënzer orde, wat betekent dat ze volgens strenge religieuze regels moesten leven. Die regels werden wel wat losser vanaf de 14e eeuw. Het klooster werd toen meer versierd, met gekleurde ramen in de kerk en rijkversierde beelden. Ook kregen de zusters luxer eten (bijvoorbeeld suiker) en was contact met de buitenwereld ook voor de nonnen meer gebruikelijk.

De Reformatie
Klooster Mariëndaal heeft ruim 400 jaar dienstgedaan als woon- en werkplek voor de katholieke zusters. Daar kwam een abrupt einde aan door de Reformatie. Tijdens de 16e eeuw was er steeds meer ontevredenheid over de katholieke kerk. Er was kritiek op praktijken als het vereren van heiligen en het afkopen van je zonden, wat niet overeen zou komen met wat er in de Bijbel staat. Dit conflict zorgde voor een splitsing van de kerk, waardoor er twee stromingen ontstonden: het katholicisme en het protestantisme.
In Nederland werd het protestantisme de nieuwe staatsgodsdienst. Daarom werd er op 18 juni 1580 vanaf het stadhuis in Utrecht een nieuwe wet voorgelezen. Vanaf dat moment was het verboden om openlijk katholiek te zijn, waarmee er een einde kwam aan het (katholieke) klooster Mariëndaal. Alle zusters verhuisden naar panden in de stad en de bezittingen van het klooster werden overgenomen. Tussen 1586 en 1602 werd het hele klooster zelfs gesloopt, waardoor niemand meer wist waar het precies stond. Alleen de pachtboerderij, bekend als boerderij Ten Daele of Den Daal, en de steenbakkerij bleven staan. Die zijn uiteindelijk pas in de 19e en 20e eeuw afgebroken.

Per ongeluk teruggevonden
In de jaren 50 werd Utrecht uitgebreid, en waar woningen worden gebouwd moeten ook wegen worden aangelegd. Tijdens aanleggen van nieuwe wegen in Zuilen kwamen de gravers iets bijzonders tegen: fundamenten en muren van eeuwenoude gebouwen. De bouwploeg haalde gemeentelijk opzichter Willem Stooker erbij om te beoordelen wat ze hadden gevonden. Stooker wist dat ergens in de buurt van boerderij Den Daal het klooster Mariëndaal had gestaan; de gevonden muurresten waren dus reden voor archeologisch onderzoek. Tijdens de opgraving in 1956-7 hebben de archeologen onder andere de kerk en andere kloostergebouwen, het kerkhof, middeleeuwse rioleringen en beerputten met veel aardewerk gevonden. Stooker trok terecht de conclusie dat ze klooster Mariëndaal hadden teruggevonden, maar omdat de huizenbouw gewoon doorging, moesten ze alle sleuven na het onderzoek weer dichtgooien.
Toen het jaren 50 riool vervangen moest worden in 2018-19, zagen archeologen hun kans schoon om nieuw onderzoek te doen. Ze hebben daarbij veel nieuwe dingen van Mariëndaal opgegraven, zoals beerputten, aardewerk met initialen, en nog meer gekleurde vloertegels. De meest bijzondere vondst was een klein bronzen beeldje van Jezus. Later bleek dat het beeldje rond 1300 gegoten is, in dezelfde mal als 3 identieke figuren die in Groot-Brittannië zijn gevonden.
Hoewel ze alleen op zoek waren naar resten van het klooster, kwamen de archeologen tijdens het graven als grote verrassing ook een nederzetting uit de vroege middeleeuwen tegen. In een groot gat, ontstaan door een overstroming vonden ze fuiken om te vissen, aardewerk, glas en andere huishoudelijke voorwerpen. Vlakbij stond ooit een gebouw met een verhoogde vloer, waarvan de overgebleven palen wel 1,5 meter de grond ingeslagen waren. De sterke constructie beschermde opgeslagen producten tegen overstromingen. Zou het kunnen dat deze nederzetting hetzelfde is als Zwesen, de geboorteplaats van Liudger?
Uit deze vondsten bleek dat de zusters van Mariëndaal niet de eersten waren die op deze plek aan de Vecht woonden; dat gebeurde al 600 jaar voordat het klooster werd gebouwd. Hoewel daar nu helaas niks van terug is te zien, ligt er dus een groot verhaal verborgen onder een klein plein in Zuilen.
Hulp en contact – Erfgoed
Telefoon
Maandag, dinsdag en donderdag 9.00 - 17.00 uur
Woensdag en vrijdag 9.00 - 13.00 uur






