Utrecht in de prehistorie

Basisrapportage Archeologie 112

Auteur

Linda Dielemans

ISBN:

ISBN 978-94-92694-14-0

Pagina's:

268

Voorafgaand aan de bouw van het Prinses Máxima Centrum en de Uithoflijn is er archeologisch onderzoek verricht. Uit het onderzoek is gebleken dat vanaf circa 11.000 voor Chr. tot in het eerste kwart van de eerste eeuw na Chr. het gebied bewoond is geweest. In de vroegste fase, het laat-paleolithicum, lieten de jager-verzamelaars niets meer achter dan een kuiltje met houtskool, waarschijnlijk een kuilhaard. Later, in het mesolithicum, zijn de sporen van bewoning talrijker. Slechts enkele stukken vuur- en natuursteen kunnen aan deze periode worden toegeschreven, maar een groot aantal paalkuilen, kuilen en kuilhaarden vormen de opvallende restanten van meer dan 2500 jaar bewoning tussen 8800 en 6200 voor Chr.

Na ongeveer 3000 jaar werd het onderzoeksgebied tussen 2900 en 2575 voor Chr. bewoond door neolithische boeren van de Stein-Vlaardingencultuur. Niet eerder zijn in de regio Utrecht sporen van deze groep aangetroffen. Het vondstmateriaal uit deze periode bestaat uit aardewerkscherven en vuur- en natuursteen, voornamelijk brokken maar ook enkele werktuigen. Weer 1000 jaar later was er een crevassegeul ontstaan die tussen 1500 en 1200 voor Chr. opnieuw mensen aantrok. Het landschap werd verder in cultuur gebracht met erven, tuinen, akkers en graslanden, hoewel bosjes en heideveldjes bleven bestaan. De volgende bewoningsfase lag in de vroege/midden-ijzertijd tussen 700 en 200 voor Chr.

De bewoning rond het begin van de jaartelling uit zich in enkele greppels en kuilen langs de westoever van de verlande crevasse en een relatief grote hoeveelheid vondsmateriaal in de geulvullingen, bestaande uit aardewerk, vuur- en natuursteen, dierlijk bot en houten objecten. Huisplattegronden of andere structuren zijn niet aangetroffen, maar het materiaal in de restgeul van de crevasse kan worden geïnterpreteerd als nederzettingsafval. Bijzondere vondsten zijn met dierenbloed beschilderd aardewerk, 2 complete potjes en 3 houten objecten, waarvan er 1 antropomorfe trekken vertoont en mogelijk als ‘idool’ kan worden geïnterpreteerd. In de oude crevasse liep vee, dat het aardewerk deels in de onderliggende vullingen trapte. In de eerste eeuw na Chr. werd het materiaal lokaal verspoeld door een re-activatie van de crevassegeul, waarna er kortstondig weer water doorheen stroomde.

Hierna werd het gebied verlaten. Waarschijnlijk kwam het in de twaalfde eeuw in bezit van het oostelijk gelegen klooster Oostbroek. Maar pas vanaf de zeventiende eeuw lieten mensen weer sporen achter in de vorm van brede ontwateringsgreppels, die zich concentreerden op de crevassegeulen in de ondergrond. De vindplaats langs de Hoofddijk is uniek voor de gemeente Utrecht en levert een schat aan informatie op over de prehistorische bewoning op het dekzand langs de noordoostelijke gemeentegrenzen.

Lees de basisrapportage archeologie 112 (pdf, 40 kB)